moderne kunststromingen

Abstract expressionisme

Een stroming binnen de Amerikaanse schilderkunst die zich in de jaren veertig in New York heeft ontwikkeld. De abstract expressionisten gebruikten steevast grote doeken waarop ze de verf snel en krachtig aanbrachten; vaak met behulp van grote kwasten, maar soms ook door de verf direct over het doek te laten druipen of er tegenaan te smijten. Die expressieve wijze van schilderen werd vaak van minstens zo groot belang geacht als het uiteindelijke schilderij. Beweging was belangrijk. Er waren evenwel ook abstract expressionistische schilders die het zuiver abstracte beeld op een ingetogener mystieker wijze benaderden. Niet al het werk dat door deze stroming werd voortgebracht was volkomen abstract ( De Kooning en Guston) of expressief ( Newman en Rothko), maar in alle gevallen ging men ervan uit dat een spontane aanpak van de kunstenaar de creativiteit van het onbewuste vrijmaakte.

Vertegenwoordigers: Francis, Guston, Hofmann, Kline, Motherwell, Newman, Pollock, Rothko, Still.

Action Painting 

Action Painting is een vorm van Abstract-expressionisme. Zoals in de actiekunst de lichamelijke, spontane uitdrukking op de voorgrond treedt, zo is ook voor de actieschilderkunst de handeling van het aanbrengen van verf, het aanbrengen van verf als handeling zelf, van algeheel belang. De kunstenaar gaat niet uit van een vooropgezet plan, maar laat zich leiden door een toevallige inspiratie. De schilderijen ontstaan schilderend, en het eindresultaat is als het ware een documentatie van handelingen. De werken zijn meestal non-figuratief en groot van formaat.Het begrip Action-painting werd geïntroduceerd door de Amerikaanse kunstcriticus Harold Rosenberg. Kenmerkend voor de actieschilderkunst is de slinger- en druptechniek ( dripping-painting) waarmee de kunstenaar de verf onmiddellijk op het doek aanbrengt, zodat een abstract structuurgeheel van gebroken lijnen en vlekken ontstaat.

Vertegenwoordigers: Hofman, De Kooning, Motherwell, Pollock.

Art Brut

Een in1947 door Dubuffet in het leven geroepen Franse term, die zoveel betekent als ‘primitieve kunst’en die betrekking heeft op kunst waar in het Engels vaak naar verwezen wordt met de term outsider art. Aan het eind van de achttiende eeuw begon men in Europa meer aandacht aan mensen die toen werden aangeduid als waanzinnigen , geesteszieken of gekken te geven. Rond 1870 begonnen psychiaters “gekkenkunst” te gebruiken om meer over de patiënten te weten te komen, de zogenaamde stijldiagnostiek. Er werden criteria vastgesteld waaraan kunst moest voldoen. In het begin van de twintigste eeuw keken steeds meer moderne kunstenaars met interesse naar de kunst van deze buitenstaanders en velen zagen er in wat zij wilden bereiken met hun eigen kunst. Enkele kunstenaars die zich lieten inspireren waren Picasso, Appel, Klee, Dali en Dubuffet.
Dubuffet wordt gezien als een van de eersten die art brut serieus nam. Hij had een afkeer van de ‘normale kunst’ die hij zag als onoprecht, oppervlakkig en commercieel. Art brut is kunst die gemaakt is buiten de gevestigde orde, door onder andere verstandelijk gehandicapten, ongeschoolden, geestelijk gestoorden en delinquenten (Wallis en Wolffli).

Vertegenwoordigers: Dubuffet, Wallis, Wolffli.

Art Informel

Het Franse woord ‘informel’ dient in dit verband eerder als ‘vormloos’ dan als informeel te worden opgevat. In de jaren vijftig zochten kunstenaars van deze stroming naar een nieuwe manier om beelden te scheppen zonder gebruik te maken van herkenbare vormen, zoals hun voorgangers dat hadden gedaan (zie kubisme en expressionisme). Hun streven was erop gericht de geometrische en figuratieve vormen op te geven en een nieuwe artistieke taal te ontdekken. Ze bedachten vormen en werkwijzen die al improviserend ontstonden. Het werk van de art-informelkunstenaars is uiterst gevarieerd, maar komt overeen in de toepassing van de vrije penseelvoering en de dikke lagen verf. Evenals het abstract expressionisme dat zich in dezelfde tijd in Amerika ontwikkelde, is art-informel een zeer ruime begripsaanduiding waaronder zowel figuratieve als non figuratieve schilders gevat kunnen worden. Hoewel de stroming hoofdzakelijk in Parijs was gecentreerd, reikte zijn invloed over heel Europa en met name in Spanje, Italië en Duitsland.

Vertegenwoordigers: Burri, Fautrier, Hartung, Riopelle, Tàpies, Wols.

Art Nouveau

Een Franse term die “nieuwe kunst” betekent. Art Nouveau was een decoratieve stijl in de Bouwkunst en de binnenhuisarchitectuur die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw in Europa en de Verenigde Staten ontstond en van ingrijpende invloed was op de beeldende kunst en vormgeving. De stroming werd getypeerd door gestileerde, golvende lijnen en krommingen en organische vormen zoals ranken en bladeren. De schilderkunst van de Art Nouveau wordt gekenmerkt door de overdadige dessins en elegante vrouwenfiguren met lang golvend haar (zie Klimt). Het verfijnde grafische werk van Aubrey Beardsley vertegenwoordigt de neiging tot eroticisme en decadentie ( zie ook Schiele), terwijl de ontwerpen van Charles Rennie Mackintosh een meer ingehouden, geometrische variant laten zien. De stijl werd naar nieuwe, verbeeldingrijke hoogten gevoerd door de Spaanse architect Antonio Gaudi.

Vertegenwoordigers: Klimt, Munch, Schiele.

Arte Povera 

Arte Povera ontwikkelde zich tegen het einde van de jaren zestig in Italië. Arte Povera is Italiaans voor arme of nederige kunst. Kunstenaars die gerekend worden tot deze stroming gebruikten zowel armoedig materiaal als takken, vodden en aarde als marmer, goud en zijde. De naam is dus enigszins misleidend. De criticus Germano Celant had deze bedacht voor een expositie in 1967. De benaming was ontleend aan het teatro povera van Jerzy Grotowski.

De Art Povera verlegde de grenzen van de kunst. Kunstwerken die tot deze stroming gerekend worden zijn meestal vervaardigd uit materialen die voor de kunst niet gangbaar zijn. Zelfs levende dieren kunnen deel uitmaken van de werken. De kunstenaars maakten vaak gebruik van natuurlijk materiaal als zand, takken, stro en stenen. Deze natuurlijke elementen werden meestal samengevoegd met alledaagse door mensen gemaakte producten als vodden, papier, staal en neonlicht. Dergelijke niet voor de hand liggende combinaties fascineerden deze kunstenaars. Ze combineerden ook cultuurhistorisch beladen en dure materialen als marmer en goud met waardeloze materialen. Er werd dus afstand genomen van de hiërarchische benadering van materialen. In hun kunst werden tegenstellingen verenigd. Er ontstond op deze wijze een dialoog tussen natuur en cultuur, verleden en heden, kunst en het alledaagse. De werken getuigen vaak van zin voor esthetiek.
De kunstwerken zijn rijkelijk voorzien van inhoudelijke betekenissen. Vraagstukken over het begrip kunst en de relatie tussen kunst en samenleving interesseerden deze kunstenaars. Vaak zijn ze doordrongen van Europese cultuurhistorische verwijzingen. Ideologieën, mythologieën en het filosofische gedachtegoed konden deel uit maken van hun kunstwerken. Het heden is vaak becommentarieerd met behulp van het verleden. Zo wordt er meermaals gezinspeeld op negatieve aspecten van de consumptiemaatschappij. Er blijft doorgaans veel ruimte over voor de associaties van de toeschouwer. De complexe inhoudelijke betekenissen waren een reactie op de inhoudsloze Amerikaanse kunst. De Arte Povera kunstenaars misten bij hun Amerikaanse collega’s een rijke culturele kennis en achtergrond.
Tijdens de bloeitijd van de Arte Povera vonden soortgelijke bewegingen plaats in andere delen van de wereld ( Fluxus, neodada). De traditionele normen van de kunst werden door dergelijke stromingen verlegd. Zo zijn er duidelijk overeenkomsten tussen de kunst van de Art Povera en het werk van de Duitser Joseph Beuys, de Fransman Bernard Pàges en de Brit Tony Gragg. In de conceptuele kunst zijn de artistieke daden en de ideeën van de arte povera verder uitgewerkt.

Vertegenwoordigers: Giovanni Anselmo, Mario Merz, Luciano Fabro, Guilio Paolini, Iannis Kounellis.

Avant-garde

Avant-garde, ook wel gespeld als avantgarde, is een term die nadien wordt gebruikt om acties of bewegingen aan te duiden die nieuw of experimenteel van aard zijn. Het concept avant-garde werd een metafoor voor het werk dat kleine groepen intellectuelen of kunstenaars deden, waarbij zij voor de grote massa uitlopen. In de 20e eeuw benoemde men zo al kunstvormen die vooruit snelden, met beelden en ideeën die later door grotere groepen overgenomen zouden worden.Nu wordt dit begrip meestal aangewend in relatie tot kunst en cultuur, in de schilderkunst, muziek, literatuur, poëzie, film en theater.De term werd voor het eerst gebruikt voor een groep kunstenaars van links-pacifistische signatuur, die in 1916 bijeenkwamen in het Cabaret Voltaire te Zürich. Avantgardisten experimenteren sindsdien met nieuwe kunstvormen, door de artistieke procedés van hun voorgangers radicaal af te wijzen.De periode tot 1940 wordt ook wel “historische avant-garde” genoemd.Het Avant-gardisme kan ook worden gezien als een reactie van wantrouwen jegens de eigen, westerse cultuur, die in korte opeenvolging twee Wereldoorlogen voortbracht. In de gehele avant-gardistische kunst werd na de Tweede Wereldoorlog een sterke behoefte gevoeld om van voren af aan opnieuw te beginnen, en letterlijk alle waarden te herzien en te herdefiniëren.Een voorbeeld van avant-garde voordat de term in gebruik was, de op 17 mei 1863 geopende tentoonstelling, de Salon des Refusés, in Parijs. Deze kunsttentoonstelling werd georganiseerd door kunstschilders die geweigerd waren om deel te nemen aan de jaarlijkse Parijse salon. Op deze tentoonstelling werden impressionistische werken tentoongesteld die later voluit nagevolgd werden. Het impressionisme ging tot een van de hoofdstromingen van de schilderkunst in de negentiende eeuw behoren.

Onder Avant-garde verstaat men in de muziek alle muziek die breekt met de (klassiek/romantische) traditie. In de muziek van de avant-gardisten wordt er dan ook meestal anders dan traditioneel omgesprongen met melodie, harmonie en ritme. Tot de avant-garde kan een groot deel van de hedendaagse alternatieve muziek en undergroundmuziek worden gerekend. Naast niet-traditionele composities en speltechnieken ontwikkelen musici ook nieuwe instrumenten.

Vertegenwoordigers: Pablo Picasso, Henk Peeters

Bauhaus

De Bauhausschool werd opgericht in 1919 in Weimar door de architect Walter Gropius en werd gedurende de jaren twintig het centrum van de moderne vormgeving in Duitsland. Het doel van de school, dat een deel van het socialistische gedachtegoed uit het Europa van die tijd weerspiegelde, was om de kunst en de vormgeving naar het terrein van het dagelijkse leven te brengen. Gropius was de overtuiging toegedaan dat kunstenaars en architecten als ambachtslieden moesten worden beschouwd en dat hun scheppingen praktisch van aard en betaalbaar moesten zijn. De typerende Bauhausstijl was eenvoudig, geometrisch en uiterst verfijnd. In 1933 werd de school gesloten door de nazi-leiders, die beweerden dat de instelling een broedplaats van communistisch intellectualisme vormde. Hoewel de school in fysieke zin was opgeheven, bleven de leidinggevende kunstenaars hun idealistische voorstellingen verspreiden, ook nadat zij Duitsland hadden verlaten en nadat zij naar allerlei plaatsen ter wereld waren geëmigreerd.

Vertegenwoordigers: Albers, Feiniger, Kandinsky, Klee, Moholy-Nagy.

Der Blaue Reiter

Een groep Duitse expressionisten, opgericht in München in 1911. de naam is ontleent aan een schilderij van Kandinsky. Hoewel er in strikte zin des woords niet sprake was van een beweging met een welomschreven programma, neigde de groep in zijn geheel wel meer naar de mystieke spiritualiteit dan de andere grote expressionistische schildersgroep; Die Brücke. Tot de belangrijkste schilders behoorden Marc en Macke, bij wie in 1912 Klee en Delaunay zich aansloten.

Vertegenwoordigers: Delaunay, Kandinsky, Klee, Marc, Macke

Die Bücke

Een groep expressionistische schilders, opgericht in Dresden in 1905. de naam wijst op het feit dat de kunstenaars hun werk beschouwden als een brug tussen het verleden en de toekomst. De schilders van Die Brücke, die niet zozeer een hechte groep vormden maar eerder in los verband tot elkaar stonden, hadden (deels onder invloed van de fauvisten) een sterke voorkeur voor levendige kleuren, vereenvoudigde, natuurlijke vormen en een expressief lijngebruik, hetgeen zich bijzonder goed leende voor grafisch werk. De groep verhuisde in 1910 naar Berlijn en werd in 1913 ontbonden.

Vertegenwoordigers: Heckel, Kircher, Nolde, Pechstein

Cobra

Een internationale groep schilders die in Europa bestaan heeft van 1948 tot 1951. De naam Cobra werd gevormd door de beginletters van de steden waaruit de oorspronkelijke leden van de groep afkomstig waren: Kopenhagen, Brussel en Amsterdam. Cobra schilders stonden de onbelemmerde expressie van het onbewuste voor; legden de verf dik op het doek en gebruikten opvallende kleuren teneinde hun werk vitaliteit en kracht mee te geven. Bovendien bedienden ze zich van grillige, aan de noordse folklore ontleende beelden, evenals mystieke symbolen en minder van zuiver abstracte vormen.

Vertegenwoordigers: Alechinsky, Appel, Jorn, Corneille.

Colour-field Painting

Een vorm van abstract expressionistische schilderkunst waarbij de nadruk meer lag op het gebruik van kleur dan op het krachtige gebaar als belangrijkste uitdrukkingsmiddel. Colour-field schilderijen worden gekenmerkt door grote vlakken met intense, volle kleuren. Het zijn enorme doeken die vaak monochroom zijn, slechts doorbroken door een of meerdere verticale lijnen. De kleuren zijn met toetsen van het penseel opgebracht en geven dus levendigheid aan de grote vlakken. Een toeschouwer die voor het doek staat voelt zich omsloten door de kleur: de zogenaamde field-ervaring. In tegenstelling tot het abstract expressionisme waar beweging zo belangrijk is gaat het bij deze schilders om bezinning en meditatie. Het feit dat deze schilders de expressieve penseelvoering verwierpen bereidde mede de weg voor de post-painterly abstraction en het minimalisme.

Vertegenwoordigers: Rothko, Newman, Still

Conceptuele kunst

Conceptual art is een internationale richting die zich in de tweede helft van de jaren zestig ontwikkelde. Enkele conceptuele kunstwerken zijn eerder gemaakt, maar toen was er nog geen sprake van een beweging. Andere benamingen voor dezelfde richting zijn ideeënkunst, conceptuele kunst en conceptkunst. In deze richting in de beeldende kunst staat het idee of concept centraal. Het eindproduct is ondergeschikt aan het concept. Het medium waarin het kunstwerk wordt uitgevoerd is niet van wezenlijk belang. Belangrijk is dat het medium het idee of concept zo goed mogelijk dient. Conceptual art kan zelfs volledig afstand nemen van een medium door het concept mondeling over te brengen.
De ideeën of concepten kunnen dus op tal van manieren worden doorgegeven met behulp van bijvoorbeeld tekstmateriaal, plattegronden, diagrammen, film, video’s, foto’s en performances. Het uiteindelijke werk kan zowel in een galerie worden tentoongesteld, als ook voor een speciale locatie worden ontworpen. In sommige gevallen wordt het landschap zelf een geïntegreerd onderdeel van het werk van de kunstenaar; bijvoorbeeld bij de Land-art van Long of de environment-sculpturen van Christo. De ideeën zoals die door de conceptuele werken worden uitgedragen zijn ontleend aan de filosofie, het feminisme, de psychoanalyse, filmindustries en het politiek activisme. Het idee van de conceptuele kunstenaar als maker van ideeën en niet zozeer van objecten ondermijnt de traditionele opvattingen omtrent de status van kunstenaar en het kunstobject.

De variatie aan eindproducten is zeer groot; van performancekunst en videokunst tot meer traditionele middelen als fotografie of een tekening. Taal is een belangrijk medium om de ideeën over te brengen en daarom vaak gebruikt in conceptual art. Als er andere mediums werden gebruikt zijn ze meestal zo aangewend dat de techniek of realisatie weinig afleid van het idee. Virtuoze, expressionistische en esthetische benaderingen werden daarom achterwege gelaten. De presentatie is gewoonlijk behoorlijk droog. Conceptuele kunst doet een beroep op de intellectuele vermogens van de waarnemer. Veelgestelde vragen die bij de beschouwing opgeroepen worden betreffen de aard van kunst. Niet zelden heeft conceptuele kunst een politiek maatschappelijke betekenis.

Marcel Duchamp heeft een inspirerende werking gehad op deze richting. Andere voorlopers zijn Yves Kein en Piero Manzoni.
Joseph Beuys, Marcel Broodthaers, Stanley Brouwn, Daniel Buren, Hans Haacke, On Kawara, Joseph Kosuth, Lawrence Weiner en Soll LeWitt hebben conceptuele kunstwerken gemaakt maar de echte vertegenwoordigers zijn: Art & Language, Burgin, Christo, Kabakov, Kawara, Long, Merz, Weiner.

Constructivisme

Een abstracte stroming, in het leven geroepen in 1913 in Rusland. Het constructivisme rekende af met alle traditionele ideeën omtrent kunst door daar de opvatting tegenover te stellen dat kunst de vormen en processen van de moderne technologie zou moeten nabootsen. Een sculptuur werd “geconstrueerd”met behulp van moderne industriële materialen en technieken, terwijl in de schilderkunst abstracte vormen werden aangewend om structuren te creëren die deden denken aan machinetechnologie. Hoewel het zuivere constructivisme slechts gedurende de eerste jaren van de revolutie in Rusland en vogue was, zijn de doelstellingen en idealen in de hele twintigste eeuw door allerlei kunstenaars nagestreefd.

Vertegenwoordigers: Gabo, Lissitzky, Moholy-Nagy, Rodchenko, Tatlin.

Dada

De doelbewuste betekeningloze naam ‘dada’ werd gegeven aan een internationale stroming die het maken van anti-kunst nastreefde en zijn bloei beleefde tussen 1915 en 1922. De activiteiten waren voornamelijk geconcentreerd in het Züricher Cabaret Voltaire, waar gelijkgezinde dichters, schilders, schrijvers en toonkunstenaars gezamenlijk deelnamen aan experimentele activiteiten, zoals automatisch tekenen of het maken van poëzie en ‘lawaaimuziek’. Dada was een heftige reactie op het snobisme en het traditionalisme van het artistieke establishment. Een typisch dadaïstisch kunstwerk was de ready-made; in principe niet meer dan een alledaags voorwerp dat uit zijn oorspronkelijke context was gelicht en als kunstwerk werd tentoongesteld. De dada-beweging, met zijn cultus van het irrationele, heeft een belangrijke invloed gehad op het surrealisme van de jaren twintig.

Vertegenwoordigers: Arp, Duchamp, Hausmann, Heartfield, Man Ray, Picabia, Schwitters.

Fauvisme

In 1905 werd er in Parijs een tentoonstelling gehouden waarbij een vertrek was ingericht met schilderijen van o.a. Derain, Matisse en Vlaminck, die een uitbarsting van pure, sterk contrasterende kleuren vormden. Een criticus noemde de makers van deze schilderijen ‘les fauves’ (de wilde dieren) en die naam bleef hangen. De “wildheid” kwam voornamelijk tot uitdrukking in de krachtige kleuren, de dynamische penseelvoering en de expressieve diepte van hun schilderijen, die een fantastische, vreugdevolle wereld van verhevigde emotie en kleur oproepen. Matisse , de schilder van onder andere kleurrijke landschapen en portretten, wordt doorgaans beschouwd als leider van de groep.

Vertegenwoordigers: Dearin, Van Dongen, Matisse, Vlaminck.

Fluxus

Fluxus is een kunststroming die is ontstaan in New York in het begin van de jaren 60. Het woord fluxus komt uit het Latijn en heeft meerdere betekenissen. Het betekent onder andere reinigende, zuiverende stroom. Het woord werd door George Maciunas, die beschouwd wordt als de grondlegger van Fluxus, voor het eerst gebruikt rond 1961 voor kunstmanifestaties waarbij de grenzen tussen beeldende kunst en muziek opgeheven werden.

Het streven van de Fluxuskunstenaars was het bij elkaar brengen van kunst en dagelijks leven. Daartoe moest de kunstpraktijk ‘gezuiverd’ worden van de door de musea en de commercie aangehangen ‘elitaire’ kunstopvattingen. Kunst en leven moesten elkaar bepalen.

De Fluxuskunstenaars hielden theatrale opvoeringen; Fluxusfestivals en Fluxusconcerten. Tijdens deze performances konden ze met behulp van experimentele muziek, dans en voordrachten hun ideeën overbrengen op het publiek. Van het publiek werd weinig eigen inbreng verwacht. Het publiek verliet vaak in verwarring de zaal. De Fluxuskunstenaars hadden een ongebruikelijke opvatting over kunst. Zij beschouwden de momentopname uit het leven van de kunstenaar, de tijd die de opvoering in beslag nam, als kunst. Dat wil zeggen dat de kunstenaar zelf en/of zijn handelingen tot kunst werden verklaard. Het ging hierbij in eerste plaats om het moment van de handeling, die meestal in een korte aanwijzing samengevat was, en minder om de foto’s of films die hiervan werden gemaakt.

Fluxus heeft een aantal overeenkomsten met andere stromingen. Net als bij Dada en Happening zijn er performances, maar bij Dada en Happening is de rol en reactie van het publiek daarbij belangrijk, bij Fluxus niet. Net als bij Pop-art en Zero is er belangstelling voor alledaagse realiteit en streven naar objectivering. Bij Fluxus wordt er echter geen gebruikgemaakt van de gebruikelijke materialen en middelen. Uit Fluxus is ook de Mail art kunststroming voortgekomen. Een kunstvorm waarbij de deelnemers zich afzetten tegen de traditionele kunstwereld en hun activiteiten via allerlei communicatie-vormen structureren.

Fluxus wil kunst en maatschappij bij elkaar brengen, heeft een reinigende, zuiverende stroom en heeft belangstelling voor de alledaagse realiteit en streven naar objectivering
Het kunstwerk is de momentopname uit het leven van een kunstenaar en de tijd die de opvoering in beslag neemt.
Uit de Fluxus-beweging, die een verbinding is tussen beeldende kunst, muziek en theater, komen enkele nieuwe kunststromingen voort zoals bodyart, conceptuele kunst, Eat art, Mail-Art, performance, geïmproviseerde muziek en het maken van kunstenaarsboeken en multiples.

Bekende namen uit de Fluxus-wereld: Joseph Beuys, George Brecht, Henry Flynt, Ken Friedmann, Al Hansen, Gustav Metzger, Yoko Ono, Ray Johnson, Nam June Paik, Stanley Brouwn, La Monte Young, Ben Vautier
In Nederland: Han Bennink, Ger van Elk, Hans Koetsier, Wim T. Schippers, Willem de Ridder, Misha Mengelberg, Robert Jasper Grootveld.

Fundamentele schilderkunst

Ook Geplante Malerei, Analytische Malerei en Essential Painting genoemd. Stroming in de schilderkunst die ontstaan is in de jaren zeventig. De fundumentele schilderkunst richt zich volledig op beeldende aspecten als kleur, textuur, formaat, materiaal, lijn, etc. Deze abstracte richting in de kunst wil niets weten van de suggestie van een derde dimensie in het platte vlak. Evenmin wordt de wereld buiten de schilderkunst het kunstwerk binnengehaald. Tot de bekendste representanten behoren de Amerikanen Robert Ryman, Robert Mangold, Brice Marden en Agnes Martin. De Engelsman Alan Charlton behoort eveneens tot de bekendere schilders in deze richting. Tot de bekendste Nederlandse fundamentalisten behoren Ben Akkerman en Edgar Fernhout. Gerhard Richter heeft eveneens schilderijen gemaakt die gerekend moeten worden tot de fundamentele schilderkunst

Futurisme

Een avant-garde beweging, opgericht in 1909 te Milaan, door de Italiaanse dichter Filippo Marinetti. De aanhangers streefden ernaar Italië te bevrijden van de last van zijn verleden en verheerlijkten alles wat modern was. De Futuristen werden gefascineerd door moderne machinerieën, vervoeren communicatiemiddelen. In hun schilderijen en sculpturen bedienden ze zich van hoekige vormen en krachtige lijnen om een idee van dynamiek op te roepen. Een van de belangrijkste kenmerken van Futuristische kunst was de poging om beweging en snelheid vast te leggen. Meestal werd dit gedaan door verscheidene beelden van hetzelfde voorwerp of dezelfde figuur in een steeds iets gewijzigde positie samen te brengen, waardoor de indruk van een vloeiende beweging ontstond.

Vertegenwoordigers: Balla, Boccioni, Carra, Metzinger, Severini

Gutai-groep

Eerste radicale, naoorlogse groep in Japan, opgericht door de schilder Yoshihara in Osaka in 1954, als reactie op het reactionaire artistieke milieu van die tijd. Deze invloedrijke groep, ook wel bekend onder de naam Gutai Bijutsu Kyokai, ont-wierp grootschalige, multimediale environments en hield performances en theatrale optredens. Bij veel van de activiteiten van de groep, die als de voorlopers van de latere happenings uit het eind van de jaren vijftig in New York beschouwd kunnen worden, ging het om een soort lijfelijke uitputtingsslag. Schilderijen werden gemaakt in het kader van een performance, en deze beklemtoning van het proces en de handeling van het scheppen van een kunstwerk zou een belangrijke invloed hebben op het werk van Pollock en de abstract expressionisten.

Vertegenwoordigers: Morimura, Shiraga, Yoshihara.

Hyperrealisme

Ook wel superrealisme en fotorealisme genaamd (laatste naam is alleen toepasselijk voor de tweedimensionale kunstwerken). Deze stroming in de beeldende kunst stamt uit de tweede helft van de jaren zestig. De bloeiperiode van het hyperrealisme vond plaats in de jaren zeventig. Kenmerkend was de afstandelijke houding van de kunstenaars ten opzichte van de verbeelde werkelijkheid. Vaak probeerden zij even objectief te registreren als een camera. De kunstwerken hebben zelden een inhoudelijke betekenis. De uiterlijke verschijningsvorm van een gegeven was het onderwerp, niet de emotie of betekenisgeving van een subjectieve toeschouwer.
Hyperrealistische schilders verbeelden vaak ‘kiekjes’ uit het alledaagse leven. Stadsgezichten met beeldbepalende etalages en andere facetten van de consumptiemaatschappij zijn veelvoorkomende onderwerpen. In de beeldhouwkust stond de mens centraal. De mensen waren zo realistisch weergegeven dat ze nauwelijks van echt te onderscheiden zijn. Dit kan tot verwarring leiden in musea waarin dergelijke beelden zijn opgesteld. De beeldhouwwerken werden meestal vervaardigd met behulp van lichaamsafgietsels. John de Andrea en Duane Hanson behoren tot de bekendste hyperrealistische beeldhouwers. Beiden werken met kunststof. Het werk van Duane Hanson is overigens niet van enige ironie en maatschappij kritiek gezuiverd.
De tweedimensionale kunstenaars hechten zeer veel waarde aan de fotografische weergaven van de werkelijkheid. Het merendeel bestudeert de realiteit aan de hand van foto’s. Karakteristieke eigenschappen van de fotografie zijn in de schilderijen terug te vinden. Een groot aantal hyperrealistische schilders creëerden hun kunstwerken met behulp van dia’s. Deze dia’s werden op het doek geprojecteerd. Dia’s vertekenen de werkelijkheid en deze vertekeningen zien we vaak terug in de schilderijen. Zo lijken de lichtste delen vaker het licht uit te stralen in plaats van te reflecteren. Invloed uit de fotografie blijkt eveneens uit de weergave van scherpte/diepte. Het scherp stellen op een bepaald element terwijl de rest onscherp is heeft immers niets te maken met de wijze waarop de mens waarneemt. Sommige kunstenaars maakten gebruik van meerdere foto’s om alles even scherp in beeld te brengen (Richard Estes). Wanneer de kunstwerken hard en scherp zijn uitgevoerd spreekt men van hard focus-realisme. Wanneer de schilderijen lijken op onscherpe foto’s spreekt men van soft focus-realisme. Spuittechnieken waren populair bij de hyperrealisten. Zij streefden doorgaans naar een onpersoonlijke verftechniek. De penseelvoering is daardoor zelden zichtbaar. De kunstwerken werden heel nauwgezet weergegeven.

Het hyperrealisme bloeide vooral in de Verenigde Staten (Richard Estes, Chuck Close, Howard Kanovitz, John de Andrea, Duane Hanson). Europese hyperrealisten waren meestal minder extreem; vaak is hun werk minder groot en streefde men veel minder naar objectiviteit ( Lucian Freud, Domenico Gnoli, Gerhard Richter). Het fotografische beeld speelt eveneens een minder grote rol. Het hyperrealisme is een reactie op de abstracte kunst. Er zijn veel overeenkomsten met de pop art

Vertegenwoordigers: Duane Hanson, John de Andrea, Chuck Close, Richard Estes, Howard Kanovitz, Gerhard Richter

Impressionisme

Een beweging in de schilderkunst, ontstaan in Frankrijk in de jaren zestig van de 19de eeuw. Impressionistische schilders werden gefascineerd door de relatie tussen licht en kleur. Ze schilderden met onvermengde verf en in een vrije penseelvoering. Ook in de stofkeuze toonden ze zich radicaal: ze gingen de vertrouwde historische, religieuze of romantische thema’s uit de weg en concentreerden zich op landschappen en taferelen uit het dagelijks leven. De aandacht voor de kleur ging omwille van de kleur zelf voorop staan en dat effende de weg voor abstractie.

Vertegenwoordigers: Bonnard, Corinth, Liebermann, Monet, Utrillo

Kubisme

Deze revolutionaire manier om een schilderkunstige voorstelling te maken werd gedurende de eerste tien jaar van de vorige eeuw bedacht en ontwikkeld door Picasso en Braque. Hoewel het er op het eerste gezicht abstract en geometrisch uitziet verbeeld een kubistisch schilderij wel degelijk reële voorwerpen. Ze zijn evenwel op het doek ‘afgeplat’, zodat verschillende kanten van één en hetzelfde ding tegelijkertijd te zien zijn. Kubistische kunst creëert dus niet de illusie van een ruimtelijk voorwerp, zoals de kunstenaars dat sedert de renaissance hadden geprobeerd te doen, maar definieert voorwerpen in termen van het tweedimensionale doek. Deze vernieuwing heeft ingrijpende herijking van de wisselwerking tussen vorm en ruimte tot gevolg gehad en de koers van de westerse kunst voor altijd gewijzigd.

Vertegenwoordigers: Archipenko, Braque, Gleizes, Gris, Laurens, Léger, Lipchitz, Metzinger, Picasso, Popova.

Land art

Land art is ontstaan aan het eind van de jaren zestig van de twintigste eeuw. In die tijd was er sprake van groeiende waardering voor de natuur en aandacht voor de gevaren van milieuverontreiniging. Deze richting in de beeldende kunst kwam het eerst voor in de Verenigde Staten waar nog veel afgelegen gebieden zijn waarin kunstenaars hun projecten realiseerden. Landschapskunst, earth-art en earth-works zijn andere namen voor hetzelfde verschijnsel.
Natuurlijke processen, zoals erosie, maken doorgaans deel uit van het kunstwerk. Walter De Maria heeft de bliksem zelfs betrokken in zijn The Lighning Field uit 1977.
Meestal heeft de landkunstenaar een verandering in het landschap aangebracht. De omvang van dergelijke projecten zijn doorgaans grootschalig. Bulldozers en graafmachines zijn daarom ingezet om de uitvoering te realiseren. Er zijn ook voorbeelden van zeer kleine ingrepen, zoals de voetstappen van de kunstenaar ( Richard Long).
Land art projecten in de stedelijke contex worden site works genoemd. De locaties waarin de kunstenaars handelden bevinden zich meestal ver van de bewoonde wereld. Een groot aantal werken was van tijdelijke aard. Foto’s, video’s en recorders speelden daarom een belangrijke rol als registratiemateriaal. Richard Long heeft veelvuldig gebruik gemaakt van dergelijke audiovisuele middelen. Zijn ingrepen in verlaten gebieden als het Himalayagebergte documenteerde hij op deze wijze aan het publiek.
Land art vertoond gelijkenissen met archaïsche bouwwerken als Stonehenge, Japanse Zen-tuinen, achttiende en negentiende landschapsschilderkunst en ontwikkelingen in de moderne kunst met name het minimalisme. De grenzen van de beeldende kunst zijn verlegd door deze richting. Land art-projecten worden vaak gekenmerkt door een conceptuele benadering. Niet alle ideeën bleken uitvoerbaar. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige land-kunstenaars ook bij de conceptuele kunst kunnen worden ingedeeld. De land art grenst ook aan de minimal art.

Bekende Amerikaanse beoefenaars van land art zijn ; Robert Morris, Carl André, Christo en Jeanne-Claude, Michael Heizer, Walter de Maria, Robert Smithson, Denis Oppenheim, Richard Serra en James Turrell. Bekende Europese land-art kunstenaars zijn; Richard Long en Hamish Fultun

Lyrisch abstract

Een stijlbegrip voor een stroming in de abstracte schilderkunst waarbij de individuele uitdrukkingsvormen in penseelhandschrift en expressieve kleurgeving domineren. De in Frankrijk ontstane Lyrisch abstractisme vond vlak na de oorlog met het oprichten van Salon des Réalités Nouvelles en speciaal met de tentoonstelling L’Imagninaire in de Parijse Galerie du Luxembourg zijn oorsprong. Ter illustratie voor deze grote tentoonstelling, waaraan o.a. Mathieu, Wols, Hartung, Bryen, Riopelle en Atlan deelnamen, werd het begrip “abstraction lyrique” vermoedelijk voor het eerst door Mathieu gebruikt. Hoe we tegenwoordig ook over lyrisch abstractie mogen denken, gedurende het eind van de jaren veertig en in de jaren vijftig beheerste deze stijl beslist de Europese schilderkunst en iedere kunstenaar had zijn eigen versie van de oorspronkelijke stijl ontwikkeld. Bazaine bijvoorbeeld hield vast aan elementen die uit het kubisme waren afgeleid teneinde de band met de traditie in stand te houden. Opmerkelijk is ook het verborgen spel van natuurlijke vormen die , enigszins vermomd, op vergelijkbare wijze haar rol speelt in de composities van Manessier. Bijna naamgenoot Messagier daarentegen maakte soms schilderijen die leken op minder geslaagde versies van bepaalde landschappen van De Kooning.

Capogrossi’s werk was onpersoonlijk en familie van een stuk nuttig pakpapier dat in elke stad te vinden is (Roland Penrose) terwijl dat onpersoonlijke nou niet direct het streven was van de Spaanse Kunstenaars. Het werk van de Spanjaarden toonden echter dezelfde zwakke plekken als dat van hun Parijse collega’s; de opgeblazen vormeloosheid, waarin de lyrische abstractie gemakkelijk verviel.
Eén kunstenaar steekt met kop en schouders boven de rest uit: Antonio Tàpies.

Wat ons tegenwoordig wantrouwig maakt ten opzichte van kunstenaars als Riopelle, Mathieu en Hartung, is de eentonigheid. Er lijkt geen enkele reden het ene werk boven het andere te verkiezen omdat ze eigenlijk allemaal hetzelfde zijn. Toch heeft deze ‘standaardisering’ van het product zeker bijgedragen tot het succes van de lyrische abstractie bij verzamelaars. Een van de oorzaken daarvan was dat veel kunstenaars een wijze van schilderen hadden ontwikkeld die zo direct herkenbaar was, dat de kunstenaar zelf tot thema van zijn schilderijen werd.
Waren in de strekking kunstenaars te onderscheiden; er is een gemeenschappelijke lijn te herkennen, namelijk een die tussen het geometrische abstract van het minimalisme en het informele ligt.

Vertegenwoordigers: Bazaine, Bissiere, Hartung,Manessier, Mathieu, Riopelle, Tàpies

Materieschilderkunst

De materieschilderkunst ontstond aan het einde van de jaren vijftig. Kenmerkend voor deze stroming is het reliëfachtige oppervlak. Dit oppervlak werd bewerkstelligd door het toevoegen van materialen aan de verf. Zand, gips, jute, hout en lompen behoren tot de materialen die daarvoor gebruikt zijn. Het reliëf dat zo ontstaat kan verschillende doelen dienen. Het kan de expressiviteit verhogen, esthetisch doeleinden dienen of refereren aan primitieve kunst als bijvoorbeeld rotsschilderingen.

Tot de belangrijke vertegenwoordigers behoren Jean Dubuffet, Jean Fautrier, Alberto Burri, Antonio Tàpies, Bram Bogart en Jaap Wagemaker.

Minimalisme

Een trend in de schilderkunst en de plastische kunst die zich gedurende de jaren zestig en zeventig vooral in Amerika heeft ontwikkeld. Zoals de naam al aangeeft is minimalistische kunst een tot zijn essentie teruggebrachte kunst. Zij is zuiver abstract, objectief en anoniem, ontdaan van iedere opsmuk of expressie. Minimalistische schilderijen en tekeningen zijn monochromatisch en dikwijls gebaseerd op mathematische rasterpatronen en lineaire matrixen. Dat neemt niet weg dat ze wel degelijk een gevoel van verhevenheid kunnen oproepen. Plastische kunstenaars bedienden zich van industriële processen en materialen zoals staal, perspex en zelfs tl-buizen om geometrische vormen te maken, vaak in serieproductie. Deze sculpturen hebben niets illusionistisch en moeten het enkel hebben van de directe ervaring die de kijker bij het zien van het werk ondergaat. Het minimalisme kan worden beschouwd als een reactie op de emotionaliteit van het abstract expressionisme, dat gedurende de jaren vijftig in de kunst de boventoon had gevoerd.

Vertegenwoordigers: Andre, Flavin, Judd, LeWitt, Mangoid, Morris, Ryman, Serra.

Neo (-dada,-expressionisme)

Het voorvoegsel ‘neo’ (nieuw) wijst op de wederopbloei van een eerdere trend of opvatting. Zo werd aan het eind van de jaren vijftig de term neoclassicisme gebruikt ter typering van het werk van kunstenaars die teruggrepen op de oorspronkelijke dada-beweging en object trouvés in hun schilderijen incorporeerden. De term neo-expressionistisch wijst op het weer opduiken van expressionistische kenmerken uit het werk van schilders uit de Verenigde Staten en Europa (met name Duitsland) in het begin van de jaren tachtig. Neo-expressionistische werken vertonen vaak een hoogst individuele signatuur en zijn over het algemeen met veel verve gemaakt.

Vertegenwoordigers: (neo-dada) Rauschenberg. (neo-expressionistisch) Baselitz, Immendorf, Kiefer.

Nouveau Réalisme

Een Europese stroming die opkwam aan het eind van de jaren vijftig en zich toelegde op het gebruik van alledaagse voorwerpen en objects trouvés voor esthetische doelen. De term ‘nieuw realisme’werd in 1960 in het leven geroepen door de Franse kunstcriticus Pierre restany. De hoofdzakelijk in Frankrijk gevestigde nouveaux réalistes ageerden tegen de schilderkunst van het grote gebaar zoals de abstract expressionisten die voorstonden en produceerden werk dat was geworteld in de gewaarwordingen van de eigen tijd. Oppervlakkig bezien heeft het werk van de nouveaux réalistes veel weg van pop-art, maar het staat in feite dichter bij de assemblages van Rauschenberg en Dine, waarbij ook de nadruk ligt op het gebruik van wegwerpmateriaal voor poëtische doeleinden.

Vertegenwoordigers: Arman, César, Klein, Spoerri.

Opart

Een beweging binnen de abstracte kunst die zich ontwikkelde gedurende de jaren zestig. Bij de opart (afkorting van optical art = optische kunst) wordt de onvolmaaktheid van het menselijke gezichtsvermogen uitgebuit. De kunstenaar speelt een spelletje met de kijker door beelden te creëren die lijken te pulseren. Hoewel het kunstwerk zelf statisch is veroorzaken de gebruikte vormen en kleuren een optische illusie van beweging.

Vertegenwoordigers: Riley, Vasarely.

Orfisme

Een term die in 1913 werd gebruikt door de Franse dichter Guillaume Apollinaire ter aanduiding van het werk va Delauney, at hij als een nieuwe vorm van abstracte kunst beschouwde, omdat het zijn idioom niet aan de werkelijkheid ontleende maar zijn eigen, onafhankelijke taal bezat. Delauney was geïnteresseerd in het effect van verschillende kleuren op het doek en produceerde een reeks schilderijen waarin hij de emotionele uitwerking van onvervalst kleurgebruik verkende. Hij nam Apollianaire’s term over en werkte samen met zijn vrouw Sonia, zijn ideeën uit tot een heuse stroming onder dezelfde naam.

Vertenwoordigers: R. Delaunay, S. Delaunay

Popart

Een beweging in de Verenigde Staten en Engeland die opkwam in de jaren vijftig en zijn inspiratie vooral ontleende aan de voorstellingswereld van de consumptiemaatschappij en de populaire cultuur Strips, advertenties en massaproducten speelden daarbij een belangrijke rol. Een van de vertegenwoordigers van de beweging; Hamilton, heeft de stroming ooit getypeerd als ‘populair, vluchtig, vervangbaar, goedkoop, massaproduct, jong, geestig, sexy, publiteitsgeil, betoverend en Big Business. De vermetele stofkeuze wordt, waar het schilderijen betreft, dikwijls benadrukt door scherpomlijnde, fotoachtige weergaven en waar het om sculpturen gaat, door een minutieuze aandacht voor het detail. Fotomontage, collage en assemblage worden ook veelvuldig toegepast in de popart. Sommige popkunstenaars namen ook deel aan happenings.

Vertegenwoordigers: Blake, Dine, Hamilton, Hockney, Johns, Kitaj, Lichtenstein, Oldenburg, Rauschenberg, Rosenquist, Thiebaud, Warhol.

Post-Painterly Abstraction

Een term, in 1964 in het leven geroepen door de Amerikaanse criticus Clement Greenburg. Hij gebruikte die ter typering van het werk van schilders die de lijfelijke, emotionele stijl van het abstract expressionisme vaarwel hadden gezegd. Deze schilders verwierpen de vloeiende en spontane stijl van hun voorgangers; ze smeerden het pigment op het doek om elk spoor van penseel of kwast te vermijden.

Vertegenwoordigers: Frankenthaler, Louis, K. Noland, Olitski.

Situationisme

Een radicale beweging, ontstaan in 1057 in Europa, die zich de omverwerping van het establishment te doel stelde. De Situationisten hadden niet één uniforme stijl, maar deelden wel bepaalde opvattingen, zoals de overtuiging dat het kapitalisme kijkers had veranderd in passieve consumenten van mediabeelden. Om deze tendens tegen te gaan namen ze hun toevlucht tot drastische methoden om de mensen te dwingen op een nieuwe manier naar kunst te kijken. Ze streefden naar een kunst die de oude ideeën omtrent auteursschap omver zou werpen en de gevestigde kunstinstellingen ter discussie zou stellen. Hun ideeën werden voornamelijk verspreid middels de geschriften van Guy Debord. De Situationisten, die zich vooral tijdens de algehele revolte van 1968 in Frankrijk roerden, wisten veel kunstenaars ertoe te brengen zich in hun werk te richten op de relatie tussen politiek, ideologie, kunst en maatschappelijke verandering.

Vertegenwoordigers: Burgin, Jorn,Kruger

Spazialismo

Een avant-garde beweging, in het leven geroepen in 1946 door de Italiaanse kunstenaar Fontana. Hij probeerde zich te bevrijden van het tweedimensionale vlak van een schilderij e maakte, in zijn pogingen werkelijke ruimte in zijn werk aan te brengen, gaten of kerven in het doek. Vandaar de naam ‘spazialismo’ wat zoveel als ‘ruimte-isme’betekent. In 1947 maakte hij een zwarte, ruimtelijke environment; een geheel zwart geschilderd vertrek; een vorm van installatiekunst avant-la lettre. Zijn cerebrale benadering van het schilderen maakte mede de weg vrij voor de conceptuele kunst.

Vertegenwoordigers: Fontana.

De Stijl

De naam van zowel een beweging als een tijdschrift, opgericht in 1917 door de Nederlanders Van Doesburg en Mondriaan. Zij vonden dat de kunst diende te streven naar volledige harmonie, orde en helderheid, in een doorlopend proces van verfijning. Het werk van de Stijl was derhalve streng en geometrisch van opzet, met veel rechthoekige vormen. het was opgebouwd uit de meest eenvoudige elementen; rechte lijnen en zuivere, primaire kleuren. De doelstellingen van de beweging waren filosofisch van aard en geworteld in het idee dat kunst op de een of andere manier het mysterie en de ordening van het universum diende te weerspiegelen. Na de dood van Van Doesburg in 1931 kwam er een einde aan de beweging, die van diepgaande invloed is geweest op de architectuur en de kunst in Europa.

Vertegenwoordigers: Van Doesburg, Mondriaan.

Suprematisme

Een beweging, opgericht in 1915 door de Russische schilder Malevich. Binnen een volkomen abstracte kunst stond hij de suprematie van geometrische vormen voor. De weergave van zowel voorwerpen als ideeën werd volkomen afgewezen. Malevich’ opvattingen werden het best samengevat in zijn beroemde schilderij: Wit Vierkant. Een wit vierkant op een witte achtergrond, dat het embleem van de beweging zou worden. Hoewel de beweging in Rusland weinig weerklank vond en slechts een beperkt aantal navolgers kende, had zij wel veel invloed op Kandinsky en de schilders van de Stijl. Wat betreft het streven de kunst terug te brengen tot zijn essentie loopt de beweging vooruit op het minimalisme.

Vertegenwoordigers:Kandinsky, Lissitzky, Malevich.

Surrealisme

Het surrealisme ontstond in Frankrijk in de jaren twintig. Naar de woorden van de belangrijkste theoreticus van de beweging, de schrijver André Breton, was het doel ervan “de voorheen strijdige omstandigheden van droom en werkelijkheid op te heffen”. De manieren waarop de schilders dit probeerden te bereiken liepen nogal uiteen. Ze schilderden met fotografische precisieverwarrende, ongerijmde taferelen, schiepen vreemde creaturen uit een opeenhoping van alledaagse voorwerpen, of ontwikkelden technieken met behulp waarvan ze uitdrukking konden geven aan wat er in hun onbewuste leefde. De surrealisten waren vooral geïnteresseerd in de psychoanalyse en de opvattingen van Freud. Hoewel hun schilderijen figuratief zijn, vertegenwoordigen ze een onbekende wereld met beelden die variëren van dromerig sereen tot huiveringwekkend visionair.

Vertegenwoordigers: Bellmer, Brauner, De Chirico, Dali, Delvaux, Ernst, Gorky, Magritte, Matta, Miró, Nash, Tanquy, Wadsworth.

Tachisme

Een stroming in de Europese schilderkunst in de jaren vijftig en zestig, die een onderdeel vormde van de Art-Informel beweging. De naam is afgeleid van het Franse woord ‘tache’ dat vlek betekent, en werd voor het eerst gebruikt in het begin van de jaren vijftig door de Franse kunstcriticus Charles Estienne. Het Tachisme staat dicht bij het abstract expressionisme en wordt gekenmerkt door de abstracte kleurvlekken die op het doek zijn aangebracht en die domineren. In Vlaanderen noemen ze Tachisten ook wel “vlekkeniers”.

Vertegenwoordigers: Michaux, Pollock, Riopelle, Soulages, Wols.